1. Wat is vrij bankieren?
Vrij bankieren (bekend als "free banking") is een volledig vrije markt voor geld en bankieren. Er is dan een scheiding tussen geld en staat; overheden hebben geen enkele bemoeienis met de banken en het geldsysteem. Banken moeten hun contractuele verplichtingen nakomen en vallen dan onder de wetgeving tegen fraude. Op zo'n vrije markt zijn er in elk geval de volgende vrijheden:
* Vrije toetreding van banken, geldproducenten en overige financiële dienstverleners.
* Vrijheid om geld uit te geven, munthuizen en gelddrukkerijen op te richten en betaalwijzen aan te bieden.
* Vrijheid om geld te accepteren, te weigeren of tegen korting te aanvaarden, ook als deposito's, cheques en dergelijke.
* Vrijheid om naar eigen inzicht een portfolio in te richten en de rente te bepalen voor het lenen, uitlenen en investeren van eigen of vreemd vermogen en om rentes te bepalen op besparingen en investeringen.
* Vrijheid om financiële diensten aan te bieden, zoals het uitgeven van kredietbrieven, obligaties, garanties en andersoortige zaken op de balans.
* Vrijheid om filialen op te richten en te fuseren met andere banken of financiële bedrijven.
2. Waarin verschilt die vrije markt van het huidige banksysteem?
Er is dan geen centrale bank die als "bank der banken" bij noodsituaties een vangnet biedt in de vorm van extra kredieten, onderpand opkoopt en staatsobligaties afneemt om de overheid van liquiditeit te voorzien, de geldhoeveelheid te vergroten en de "economische groei aan te jagen". Ook zijn er dan geen wetten op de betalingsmiddelen of financieel toezicht en geen overheidsgaranties op spaartegoeden en hypotheken. Verder kan geen enkele bank een beroep doen op overheidssteun bij problemen. Geld is dan (weer) een marktproduct en wordt niet uitgegeven via het staatsmonopolie, maar door particuliere banken en financiële instellingen. Die kan men vrij oprichten en financieren, met eigen risico voor de kapitaalverschaffers en klanten, zoals bij elk bedrijf. Banken bestaan dan op grond van winstgevendheid en vertrouwen bij klanten, niet door vergunningen en privileges. Zij kunnen niemand dwingen hun geld te gebruiken of tot wettig betaalmiddel laten verklaren en moeten aan hun zakelijke verplichtingen voldoen, anders volgt faillissement. Zo'n vrije markt is volledig anders dan het huidige systeem, waar centrale banken, als verlengstuk van overheden, de geldhoeveelheid, de rente en de randvoorwaarden voor de private banken bepalen. Nu verrijken private bankiers en hun zakenpartners zich enorm door investeren en speculeren met ongedekte geldschepping (fractioneel bankieren) en wentelen de risico's daarvan af op de rest van de bevolking.
3. Welk soort geld zou er bij vrij bankieren zijn?
Goud, want dat geniet overal automatisch vertrouwen. Daarom is het ooit in vrijheid geld geworden. In zekere mate geldt dat ook voor zilver, koper, platina en palladium, die op een vrije markt wellicht concurreren met goud. Banken kunnen onderling één gouden standaard afspreken met eenzelfde goudgewicht per geldeenheid. Ook kunnen ze naar wens van de klanten, een eigen gouden standaard definiëren, met een eigen merknaam en een vaste verhouding tot die van andere banken, net zoals vroeger tussen landen. Onder vrij bankieren zullen er, net als nu, munten, bankbiljetten en digitale rekeningen en andere gewenste betalingsvormen bestaan. Nu al kan men online met edelmetaal per gewicht betalen, gekoppeld aan de (nu stijgende) marktprijs en met een merk (bijvoorbeeld de GoldGram) als "standaard". Munten en biljetten zullen op een vrije markt door private munters en drukkerijen worden gemaakt en concurreren op kwaliteit. Ook zullen valsemunters worden aangepakt, omdat die een bank te gronde kunnen richten door hun valse geld te komen inwisselen.
4. Wat zijn de voordelen van vrij bankieren?
Die zitten in de organisatie van het bankieren, in de gebruikte geldsoort en de macro-economische toestand. De principiële steun voor de vrije markt, het beëindigen van monetair wanbeleid, een echte rem op inflatie en het stoppen met het financieren van de staatsschulden via de geldpers kan men als voordelen zien. Geld op goudbasis is betrouwbaar en de klant staat bij vrij bankieren echt centraal. Stabiliteit en betrouwbaarheid van een bank zijn cruciaal om klanten en investeerders aan te trekken en te behouden, anders stappen die naar de concurrentie. De bonuscultuur ontbreekt dan, omdat banken door de vrije concurrentie en de afwezigheid van een wettelijk geldscheppend kartel, nimmer excessieve winsten op basis van een privilege kunnen behalen. Alleen als bankiers zeer goed beleggen of investeren behalen zij grote winsten, maar dat komt dan ook de klanten en geldschieters ten goede. Tussen landen werkt de gouden standaard zowel nuancerend (beperking van de geldschepping) als corrigerend (handelsbalans en prijzen rechttrekken als men toch inflateert). Sterke conjunctuurgolven zijn dus afwezig onder de gouden standaard en op een vrije bankenmarkt blijft deze als beste gehandhaafd.
5. Hoe zouden zulke banken functioneren?
Naast de vrijheden van vraag 1, zijn er werkwijzen en organisatievormen op een vrije bankenmarkt.
* Concurrerende uitgifte van (door edelmetaal gedekt) geld. In de praktijk betekent dit de handhaving van een gouden standaard, met allerlei betalingsvormen.
* Onderlinge acceptatie van munten, bankbiljetten en digitale tegoeden (tegen nominale waarde). Ook onderlinge inwisseling van geld door directe uitwisseling of verrekening. Dat kan ook via clearing houses, zodat niet alle geld naar de uitgevende bank terug hoeft.
* Samenwerking in de vorm van onderlinge maar ook concurrerende betaalsystemen en interbancaire diensten.
* Kredietmarkten, waar banken tegen rente kunnen investeren of lenen.
* Het ontwikkelen van en investeren in verhandelbare onderpanden, die korte-termijn investeringen kunnen leveren en ook dienen voor interbancair lenen en kredietverstrekking.
* Geen door een centrale bank verplichte gestelde fractionele reserve-vereisten; deze mogen banken zelf bepalen. Dit zal leiden tot volledige reserve-bankieren of variabele reserve-percentages voor financiële producten.
6. Kan op een vrije bankenmarkt fractioneel bankieren toch gaan voorkomen?
Zelfs legaal fractioneel bankieren is niet levensvatbaar, doordat marktkrachten dit automatisch tegenhouden en de schade zeer beperken als een bank er toch aan deed. Een groot aantal factoren zorgt hiervoor:
* Niemand zou verplicht zijn, met zo'n bank zaken te doen en geld te accepteren waarvan de waarde daalt en dat elders kan worden geweigerd.
* Fractioneel bankieren verzwakt de bank, die zijn dekking verliest en versterkt de concurrentie die meer (goud)reserves opbouwt en rijker wordt.
* Er zal tegen de risico's van fractioneel bankieren geen private verzekering mogelijk zijn, die de rol van de centrale banken zou vervullen.
* De scherpe sociale controle van concurrerende banken en beoordelaars ontmaskert een frauderende bank direct. Dat kan een bankrun in gang zetten, temeer daar er dan geen wetgeving tegen het oproepen tot bankruns zal zijn.
* De vraag naar ongedekt geld zal nimmer groot zijn, wegens het risico om met niet-inwisselbaar geld te blijven zitten. Zonder overheidsgaranties is men het geld dan kwijt.
* Mensen kunnen ook kiezen voor gouden munten, goudgewichten, waardepapieren en andere betaalmethoden. Eenvoudig bij te maken biljetten en digitale rekeningen zijn niet de enige geldvorm.
* Een bank heeft een beperkte klantenkring, door de vrije toetreding. Het geld komt al snel bij klanten van andere banken terecht, die het willen wisselen (in goud). Ongedekt geld maken betekent feitelijk het weggeven van de eigen goudvoorraad, met faillissement tot gevolg.
* Banken zullen niet collectief meedoen met fractionele banken, omdat de klanten daarvan toch wel komen aanwaaien, op zoek naar kwaliteit en betrouwbaarheid.
* Niemand zou bij het deponeren van goud bij een bank, in ruil geld accepteren zonder volledige inwisselbaarheid in goud. Anders zou men het goud eigenlijk deels weggeven.
Merk op dat banken op microschaal de prikkel hebben om niet aan inflatie te doen; wachten tot de lonen en prijzen stijgen doen zij niet en evenmin zouden zij indexcijfers gebruiken. Dat zijn typisch hulpmiddelen voor een collectivistisch en politiek gedreven bankensysteem. Banken zouden evenmin zomaar eigen geld van de markt (deflatie) halen, want dat zou hen marktaandeel en winst kosten, hun investeringen onaantrekkelijk maken en henzelf vatbaar voor overname.
7. Zullen banken op de vrije markt wel een gouden standaard handhaven?
Ja, omdat hun klanten dat zullen eisen. Politici en centrale bankiers hebben de gouden standaard al vaak de nek omgedraaid. In 1933 confisqueerde de Amerikaanse president Roosevelt zelfs het goud van de burgers, op basis van een leugen. Goudbezit bleef in Amerika verboden tot 1975. De "goudwisselstandaards" uit de twintigste eeuw in Europa en de Verenigde Staten leidden tot enorme ongedekte geldschepping, onvermijdelijke crises (die uitmondden in de Tweede Wereldoorlog resp. de monetaire onrust en recessies in de jaren zeventig) en vervolgens de afschaffing van de gouden standaard. Dit pleit tegen ongedekt fiatgeld en vóór strikte handhaving van de gouden standaard. Beleidsmakers zijn nooit voor hun wanbeleid gestraft. Op een vrije markt daarentegen betekent schending of afschaffing van de gouden standaard een bankfaillissement, met grote schade voor aandeelhouders, investeerders, klanten, medewerkers en bankbestuurders. Voldoende prikkel tot stipte naleving dus.
8. Leidt het ontbreken van overheidsgaranties niet tot onaanvaardbare risico's?
Nee, integendeel. Men moet oorzaak en gevolg niet omdraaien. Garanties zijn er louter omdat er nu fractioneel bankieren in een collectief geldstelsel met een centrale bank is. Zonder dat zouden die staatsgaranties niet bestaan. Vergunningen, bailouts, staatstoezicht en allerlei garantiefondsen leiden tot moral hazard: banken doen vrijwel eindeloos aan fractioneel bankieren en gevaarlijke investeringen; bij problemen worden ze op kosten van het publiek toch wel gered. Bailouts bestaan vaak ook uit nieuw geld, dat de geldhoeveelheid vergroot en zo via prijsinflatie de rekening alsnog bij het publiek neerlegt. Toezicht op de banken is een zwaktebod: zonder garanties, lenen en investeren de banken veel verstandiger; insolvabele en illiquide banken gaan dan gewoon failliet. Daarom zijn ze op een vrije markt overbodig. De klanten, concurrenten en handelspartners bij vrij bankieren vormen een onovertroffen toezicht: de verplichte nakoming van contracten is een voldoende restrictie voor verantwoord gedrag, zonder garantstellingen.
9. Hoe zouden klanten en investeerders de kwaliteit van banken kunnen inschatten?
Hetzelfde als bij alle andere aanbieders van producten. Klanten weten nu vaak ook niet hoe goed een bedrijf draait en hebben geen verstand van het product zelf; dat is bij vrij bankieren niet opeens een bezwaar. Als slechte banken mogen omvallen, blijven de goede over en leert het publiek onderscheid te maken tussen goede en slechte. Hier hebben consumentenorganisaties en banken- en kredietbeoordelaars een nuttige rol. In tegenstelling tot de huidige bankenmarkt, waar banken toch wel worden gered en beoordelingen weinig waarde hebben, is onafhankelijkheid ook voor hen dan een vereiste. Openheid van informatie vanuit de banken en kennis bij investeerders en publiek, maken een verantwoorde keuze voor geld en banken mogelijk. Voor banken in een vrije markt is een reputatie opbouwen en handhaven cruciaal, door ermee te adverteren en zich ermee te onderscheiden in deugdelijke producten als geld.
10. Kunnen banken wel inspelen op vraag en aanbod van geld?
Ja, veel beter dan een centrale bank. Het winststreven houdt aanbieders scherp, waardoor zij kunnen reageren en anticiperen op veranderingen in geldbehoeften. Stijgende koopkracht van het goudgeld stimuleert goudwinning en daarmee (gedekte) geldgroei. Daardoor stijgen de prijzen, daalt de koopkracht van het geld en neemt goudwinning af; zo blijven vraag en aanbod van geld in evenwicht. Centrale bankiers hebben geen enkele binding met de geldgebruikers en volgen geen klantwensen. Hun monetaire modellen, een bepaalde groei van het BNP, de dwaling van de Real Bills Doctrine, een vaste percentuele geldgroei en inflation targeting zijn ongeschikte instrumenten die hebben geleid tot decimering van muntwaardes, een grote reeks zeepbellen in allerlei markten en een illusoire economische groei. Vrije banken spelen alleen in op de behoeften van klanten en de totale geldhoeveelheid of groei daarvan zijn irrelevant. Zowel het ontstaan van geld, als het voorzien in de schommelingen in vraag en aanbod, zijn bij uitstek marktfuncties. Geld is in dat opzicht niet anders dan andere producten. Nog een relevant punt is dat het geldaanbod, zijn eigen vraag schept en vervolgens weer meer aanbod. Bij fractioneel bankieren stijgen de geldhoeveelheid en de prijzen daardoor vanzelf exponentieel, bij een gouden standaard is dat onmogelijk.
11. Hoe wordt op een vrije markt met een gouden standaard in kleingeld voorzien?
Hiervoor zijn diverse opties. Omdat gouden pasmunten erg klein zouden zijn, kan men het goud in een legering doen. Met munten van zilver en koper in een vaste waardeverhouding tot de gouden munten, kan alsnog de Wet van Gresham gaan optreden. Men kan deze pasmunten ook van alleen een gewicht voorzien, met een eigen marktwaarde maar zonder vaste koppeling aan goud. Ook kan een goedkoop, niet-edelmetaal worden gebruikt. Wegens het formaat, zitten hier juist bovengrenzen aan de denominaties. Om te voorkomen dat mensen een grote hoeveelheid munten van een waardeloos metaal inwisselen voor een gouden muntstuk, kunnen banken en winkels eventueel een grens stellen aan de hoeveelheid in te leveren pasmunten. Munten kunnen overigens voor zowel banken als munters, goede reclame vormen.
12. Leidt het uitlenen van spaargeld alsnog tot dubbele claims op geld, dus tot fractioneel bankieren?
Nee. Spaarders zullen gebruik maken van deposito's, waarmee hun geld tegen rente voor een tijd vast staat en zij er dus tijdelijk afstand van doen. Ook kunnen banken investeringskapitaal ophalen met aandelen en obligaties. In het huidige geldsysteem worden banktegoeden impliciet als "lening aan de bank" gezien en mag die erover beschikken en het geld in veelvoud uitlenen voor investeringen en hypotheken. Dat heet fractioneel bankieren.
13. Zijn vrije banken wel onafhankelijk van de politiek?
Marktpartijen op een vrije markt zijn vrij van politieke druk, ook bij monetaire zaken. In een democratie kunnen mensen daar zelf voor kiezen. Centrale banken worden algemeen benut voor de financiering van staatsschulden en voor politieke doeleinden als economische groei en "volledige werkgelegenheid". Vrije banken hebben een ander doel met hun activiteiten, namelijk het inspelen op vraag en aanbod van geld bij klanten en zakenpartners, niet op macro-economische statistieken. Juist de onzichtbare hand zorgt hier voor het beste economische resultaat. Een consequente vrije markt, zonder verstorende (loon)wetgeving, zorgt vanzelf voor optimale werkgelegenheid en reële economische groei; daar is geen geldschepping van een centrale bank voor nodig.
14. Moet er niet een centrale bank zijn die de prijzen stabiliseert?
Nee. Juist goud zorgt voor relatief stabiele prijzen; fiatgeld en zwevende wisselkoersen zijn per definitie instabiel. Centrale bankiers die de geldhoeveelheid hiervoor aansturen, falen om meerdere redenen. Zo is de relatie tussen geldgroei en vooral individuele prijsbewegingen nooit exact statistisch vast te stellen: zowel geld als andere goederen zijn soms meer, dan weer minder gewild. Verder ontberen centrale bankiers de nodige alomvattende marktinformatie voor monetair beleid. Ook is prijsstabilisatie slechts symptoombestrijding uit welbegrepen eigenbelang: centrale bankiers willen geen hyperinflatie, die hun ondergang zou betekenen. Ze omzeilen wel de oorzaak van de prijsstijgingen, door een gemanipuleerde consumentenprijsindex te gebruiken en zo de aandacht weg te houden van de groeiende geldhoeveelheid. Een ogenschijnlijke prijsstabiliteit, met hoogstens enkele procenten stijging per jaar, betekent op lange termijn dit toch een enorme koopkrachtdaling van de munt. Een gouden standaard betekent automatisch de hoogst haalbare vorm van stabiliteit, omdat goud een schaars goed is dat alleen met grote investeringen is te winnen; fiatgeld maakt men gratis bij en is daarom zelfs geen economisch goed. Voordat centrale banken bestonden was prijsstabiliteit dan ook de regel en dit kan men weer bereiken op een vrije bankenmarkt met goud.
15. Leidt een vrije bankenmarkt niet alsnog tot een kartel of een centrale bank?
Nee, hoogstens als de klanten daar voordeel in zien. Dat is onwaarschijnlijk: centrale banken leiden steevast een wettelijk kartel of zijn ontstaan door toekenning van privileges, dus geen vrije keuze van klanten. Dat is nadelig voor burgers en is daarom op een vrije markt kansloos is: producenten hebben voordeel bij het breken van de kartelafspraken, als zij dan meer winst kunnen maken. Bij vrije toetreding van nieuwe aanbieders geldt dat ook. Het huidige wettelijke kartel zet dit op zijn kop: een eerlijke bank, die een gouden standaard handhaaft, krijgt hetzij geen kans, dan wel verdient stukken minder dan de kartelbanken of verliest geld door de prijsstijgingen door andermans ongedekte geldgroei. Aansluiting bij het huidige kartel is nu juist lonend. Wel zullen vrije banken bepaalde zaken centraal regelen of overgaan tot standaardisaties. Maar al ontstaat er een kartel op de vrije markt, dan rechtvaardigt dat niet dat een overheid zo'n kartel overneemt, het geld monopoliseert en een centrale bank instelt.
16. Als vrij bankieren zo goed is, waarom hebben we dat dan niet?
De huidige monetaire systemen dateren vooral uit de 19e en 20e eeuw. Zowel politieke belangen als heersende ideeën liggen eraan ten grondslag. Centrale banken financieren vaak overheidsschulden om impopulaire belastingen te omzeilen en versterken zo mede de staatsmacht. Daarnaast denken veel mensen dat geld een collectief goed is, dat moet worden geleverd door overheden, op basis van een monopolie. Ze denken dat een vrije markt dat niet kan en in chaos vervalt, wat door politici en de meeste economen niet wordt tegengesproken. Maar de enorme geldontwaarding, de met geldschepping gefinancierde oorlogen, de enorme groei en rijkdom van de financiële sector en de voortdurende conjunctuurgolven en crises, bewijzen dat deugdelijk geldbeheer onder centrale banken een dwaling is. Deze instituties afschaffen en vervangen door een vrije markt, is een kwestie van willen. Omdat vrij bankieren geen politiek onderwerp is en niet leeft bij de meeste mensen, blijft de macht echter in handen van politici en centrale bankiers. Dat louter het bestaan van centrale banken bewijst dat vrij bankieren niet kan of onwenselijk zou zijn, is onjuist: zo zou men alle geweld, dwalingen of subjectieve belangen kunnen verdedigen.
17. Hoe gaan banken op een vrije markt met elkaars geld om?
Zolang banken vertrouwen hebben in elkaar, wisselen zij hun munten, biljetten en digitale tegoeden uit tegen de nominale waarde. Bij dalend vertrouwen in (het geld van) een concurrent zal men het weigeren of tegen lagere koers ruilen. Banken kunnen in een clearing house onderlinge verrekening toepassen, zoals in het vroegere Suffolk Banking System. Bij ongedekte gelduitgifte door een bank, zal er een saldo ontstaan tijdens die verrekening. Dat saldo zal vroeg of laat tegen goud worden ingewisseld en de geldscheppende bank zal zijn goudvoorraad kwijt kunnen raken en failliet gaan. Een eventuele bankrun als dat feit bekend wordt gemaakt, zal dat proces versnellen. Banken hebben onderling dus een bewakings- en informatiefunctie, wat fraudeurs ontmaskert en de klanten direct ten goede komt. Nog een sterk punt van de vrije markt is dat zonder wetten op de betalingsmiddelen, Wet van Gresham ("Slecht geld verdrijft goed geld uit de circulatie, bij een wettelijk vastgelegde wisselkoers") niet in werking treedt. In plaats van slecht geld te gebruiken en het goede geld te bewaren, verdwijnt slecht geld uit de circulatie, wordt het ingewisseld of geweigerd. Dit prikkelt om kwalitatief goed geld uit te geven en te handhaven. Ook hier is afwezigheid van overheidsgaranties de beste waarborg.
18. En wat als banken elkaars geld weigeren?
Dat doen banken alleen als er reden voor is. Er kan een vermoeden van ongedekt en/of vervalst geld zijn of de situatie van een concurrent kan slecht zijn. Door dit naar buiten te communiceren, versterkt de bank ook zijn eigen naam. Een bank die zonder aanleiding andermans geld weigert, zal aannemelijkerwijs zelf acuut geïsoleerd komen te staan. Het vertrouwen in samenwerking is dan weg en klanten van de weigerende bank hebben meteen een probleem. Geld is tenslotte een algemeen geaccepteerd ruilmiddel, dus samenwerking tussen banken is voor iedereen van cruciaal belang.
19. Functioneren de financiële instellingen anders bij vrij bankieren?
Ja. De banken zijn onder vrij bankieren niet zo kunstmatig groot en rijk als nu. Door fractioneel bankieren groeit niet alleen geldhoeveelheid, maar ook de financiële sector zelf, ten koste van schaarse bronnen en productieve bedrijven in de economie. Personeel uit andere sectoren wordt met veel salaris gelokt; dat drijft de loonkosten op. De organisatie en de gebouwen worden vergroot en de hoeveelheid eigendommen groeit, wat de prijzen verhoogt. Er worden veel financiële mensen opgeleid, die niet voor andere sectoren beschikbaar zijn. Banken en projectontwikkelaars profiteren ook van met belastinggeld betaalde openbare voorzieningen in door hen gefinancierde nieuwe wijken, die de aantrekkelijkheid bevorderen en de winsten voor hen nog verder opdrijven. IJsland kende in de periode 2000-2008 zo'n zeepbel in de bancaire sector. De productiviteit en het ondernemerschap in dat land daalden door de scheefgroei; de import steeg, de export daalde en er ontstond een groot handelstekort. Ook maakten veel mensen enorme schulden. Vanzelf klapte deze zeepbel, toen de schulden niet meer met de eigen productiviteit konden worden afbetaald. Op een vrije bankenmarkt kan zulke ontwrichting niet gebeuren.
20. Wat voor economie zouden we hebben onder vrij bankieren?
Er zou bij vrij bankieren welvaartsgroei zijn, in plaats van de welvaartsverplaatsing van nu. De consumptiemaatschappij die er nu is, is dan niet levensvatbaar. Doorslaggevend is dat op de vrije markt, goud en andere standaards het geld zullen vormen; kredietschepping door fractioneel bankieren ontbreekt dan. Goud is veel schaarser, waardoor de rentes hoger zullen zijn, de risico's reeël ingeprijsd en conjunctuurcycli ontbreken. Kapitaal wordt daardoor veel efficiënter gebruikt en alleen die producten en diensten waar voldoende vraag naar is, worden geproduceerd. In de praktijk zijn dat vooral de eerste levensbehoeften. Ook hier staat de afnemer centraal. Vakmensen en in het algemeen eigen en andermans arbeid zouden veel meer worden gewaardeerd, temeer omdat werken echt loont door de stijgende koopkracht van de relatief vaste geldhoeveelheid. De dienstensector, management en de aan (verspillende) consumptiegoederen gelieerde ondernemingen zouden een stuk kleiner kunnen zijn dan nu en de productieindustrie die in noodzakelijke vraag voorziet, veel groter. Hierdoor zullen er structurele prijsdalingen van de relevante goederen zijn, veel minder schulden en een toenemende reële welvaart. De onnatuurlijke groei van de financiële sector uit de vorige vraag, ten koste van de productieve bedrijven, geeft een indicatie. Ook zal nimmer een overaanbod of wildgroei aan banken en geldsoorten ontstaan, evenmin als er nu teveel winkels zijn. Dat banken nu zelden of nooit failliet gaan betekent niet dat het goed gaat in de financiële wereld. Eigenlijk failliete banken worden overeind gehouden met belastinggeld, wat eigendommen van burgers en de welvaart aantast. Het huidige financiële systeem creeërt economische chaos, zorgt voor enorme verspilling van menskracht en kapitaalgoederen en een collectieve geldrace.
21. Wie bepaalt de rente bij vrij bankieren?
Banken bepalen dan individueel hun rente, waarbij beide dimensies van sparen (de hoeveelheid spaargeld en de tijdsduur) meewegen. Dit leidt tot de natuurlijke rente, die de onderliggende economische factoren weergeeft en zorgt voor een juiste verdeling van geld voor tussen consumptie en productie. Langetermijnrentes zijn normaal hoger dan de korte, wegens de grotere risico's op de langere duur. Met de natuurlijke rente is een duurzame economische groei mogelijk, doordat spaargeld wordt benut voor productiegroei. In het kort werkt het als volgt:
* Bij meer geldvraag voor investeringen, verhoogt een bank zijn rente. Dit motiveert spaarders, maakt de investeringen mogelijk en bevoordeelt spaarders, investeerders en leners. Bij verzadiging van hiervan daalt de rente en stijgt de consumptie, temeer omdat de prijzen door de voorafgaande investeringen en productievergrotingen zijn gedaald.
* De grotere vraag doet de prijzen en winstgevendheid weer stijgen. Dat jaagt de investeringen en de geldvraag aan, de rentes en besparingen stijgen weer en de prijzen dalen. Banken stemmen hun rente dus af op de marktvraag. Zij gebruiken steeds de bestaande geldhoeveelheid, die hoogstens groeit door goudwinning.
22. Zijn er onder vrij bankieren ook sterke conjunctuurcycli en economische crises?
Nee, alleen de normale schommelingen in voorkeuren bij de burgers. Het verstorende handelen waarmee (centrale) bankiers conjunctuurcycli veroorzaken, ontbreekt. Dit wordt in grote lijnen als volgt beschreven in de Oostenrijkse Theorie van de Conjunctuurcyclus:
* Door kredietexpansie via leningen en korte termijn deposito's (fractioneel bankieren), worden kortlopende verplichtingen aangegaan, waarmee langlopende projecten worden gefinancierd. Geldinjecties maken geen welvaart (nieuwe goederen), maar verstoren alleen de prijsstructuur omdat de prijsstijgingen ongelijk zijn: het geld stroomt niet overal evenredig de economie binnen.
* Deze korte termijn deposito's zijn geen spaargeld, maar nieuw geld; de consumptie mindert niet.
* Met die expansie worden de rentes kunstmatig verlaagd, tot onder het niveau dat bij het reële spaargeld en de tijdsvoorkeuren van spaarders hoort. De tijdsstructuur van sparen en rentes raakt dus verstoord.
* Ondernemers starten met de kredietexansie meer en langduriger projecten dan er worden gesteund door de reële besparingen; voordat deze projecten zijn afgelopen, volgt een crisis (als de rente oploopt om de prijsinflatie te beteugelen).
* De afwezigheid van spaargeld om de productieprocessen te ondersteunen en kapitaalgoederen te maken, wreekt zich; de malinvesteringen worden geliquideerd en de productiestructuur wordt in lijn gebracht met de werkelijke voorkeuren van de consument.
Ongedekte geldschepping verstoort de balans in vraag en aanbod van kapitaal en verhoogt de prijzen omdat de spaarquote niet meestijgt. De lage rentes en prijsinflatie jagen beleggers weg van onrendabele spaarrekeningen naar productiesectoren als auto's en luxegoederen, vastgoed, aandelen, grondstoffen, financiële producten en staatsobligaties Daar ontstaan de malinvesteringen en speculatieve zeepbellen ontstaan die onvermijdelijk klappen. Dat kan door renteverhogingen of omdat de herfinanciering van kortlopende leningen, waarmee langlopende investeringen worden gefinancierd, mislukt. Centrale bankiers veroorzaken dus onnatuurlijk heftige conjunctuurcycli, waarna de roep ontstaat om nog meer "stimulering van de economie", door hetzelfde wanbeleid te herhalen. Op een consequent volgehouden vrije bankenmarkt met een of meer monetaire standaards kan dit allemaal niet.
23. Kunnen banken op een vrije markt wel verantwoord lenen en investeren?
Ja; investeringen komen dan uit spaargeld en worden daar ook door begrensd. Er is dan een constante, reële economische groei, door innovaties en productverbeteringen. De prijzen dalen zo gestaag en de welvaart neemt daardoor toe. De rentes geven zowel het spaarbedrag als de tijdsvoorkeur (kort of lang sparen) weer; de economie is in harmonie. Financiering kan ook via aandelen of obligaties; die zijn dan weer echt investeringsvehikels, geen door goedkoop geld gedreven speculantenmiddelen meer. Kredietverstrekkende banken zullen actief de "gouden regel" handhaven: krediettransacties = debettransacties, oftewel: de verplichtingen (aan de bank geleend geld) mogen niet kortlopender zijn dan de tegoeden (door de bank uitgeleend geld), anders dreigt illiquiditeit. Dat is volkomen anders dan fractioneel bankieren, waar met direct opvraagbare tegoeden, langlopende investeringen plaatsvinden. Dat heet "maturity mismatching", oftewel "kort lenen, lang uitlenen". Op een vrije markt is maturity mismatching net zo min levensvatbaar als fractioneel bankieren:
* Kort lenen-lang uitlenen is riskant, omdat het afhangt van hernieuwing van korte termijn-leningen.
* De inwisseling van geld bij een bank beperkt het fractioneel bankieren en zo ook de kredietexpansie.
* Concurrenten zouden een zwakke bank onderuit kunnen halen door geld uit te lenen op korte termijn en, nadat ze zijn geïnvesteerd in lange termijn-projecten, deze gelden via een bankrun op te eisen.
* Iets soortgelijks kan door de aandelen van zo'n bank plots te verkopen. Dat maakt zo'n bank ook rijp voor goedkope overname.
* Klanten kunnen maturity mismatching in zeer beperkte mate en met voldoende rentevergoeding toestaan. Banken zullen dan wel voor de zekerheid voldoende kapitaal moeten aanhouden.
24. Heeft vrij bankieren ooit al bestaan?
In diverse landen en perioden hebben er relatief vrije markten voor geld en bankieren bestaan, die vaak free banking worden genoemd. Enkele voorbeelden:
* In de Verenigde Staten was er tussen 1837 en 1863 de Free Banking Era, maar daar verschilden per staat de voorwaarden en bleef er staatsinterventie. Zo moesten banken als onderpand voor gelduitgifte vaak staatsschulden aankopen; waardedaling daarvan leidde tot de ondergang van veel banken.
* Zweden kende van 1830 tot 1903 een relatief vrije geldmarkt, maar behield een centrale bank en ook mochten de vrije banken geen kleine coupures uitgeven.
* Schotland in 1716-1845 wordt wel als hét voorbeeld van free banking gezien, maar dat is een mythe: de banken stapelden ongedekt krediet bovenop tegoeden bij de Bank of England en schortten de uitbetaling van edelmetaal vaak op. Ook waren ze vaak klantonvriendelijk, deden ze aan fractioneel bankieren en waren de reserve-ratio's zeer laag, rond de twee procent.
* Hong Kong had tussen 1935 en 1964 geen centrale bank, geen reserve-vereisten geen depositogaranties. Wel hadden drie private banken het privilege op uitgifte van bankbiljetten; munten en lage waarden waren een overheidstaak.
Deze historische voorbeelden bewijzen niet dat vrij bankieren niet kan werken; wel is eruit te leren hoe het in de toekomst anders en beter kan.
25. Hoe kunnen we overgaan tot vrij bankieren?
Het volledig privatiseren van geld en bankieren kan gewoon als mensen dat willen. Daarvoor moeten alleen de hinderpalen worden verwijderd: alle relevante wetgeving en vergunningen afschaffen, vrije concurrentie in geld en bankieren toestaan en de centrale banken opheffen. Het belangrijkste obstakel is wellicht een ideologisch bezwaar tegen vrij bankieren. Het traject naar vrij bankieren is minder relevant dan het einddoel zelf. Men kan natuurlijk ook wachten tot het huidige systeem instort doordat banken en landen bezwijken onder hun schuldenlast en/of na (de daarbij behorende) hyperinflatie.
Zie ook: De Gouden Standaard in 40 vragen en antwoorden
Naar de hoofdpagina
© RatioVincit.nl, graag citeren met bronvermelding