1. Wat is een gouden standaard?
Bij een gouden standaard is geld gedefinieerd als een bepaald gewicht in goud. Geld is dan inwisselbaar tegen die hoeveelheid goud en andersom. De Amerikaanse dollar was tot 1933 20,67 dollar per troy ounce van 31,1 gram; ruim 1,5 gram goud per dollar. Nederland had een gouden standaard in de periode 1874-1914 en een goudkernstandaard met een dekking van 40 procent in 1918-1936. Bij een gouden standaard fluctueert de geldhoeveelheid hoogstens met de beschikbare goudhoeveelheid en kan niet meer zowat ongelimiteerd stijgen, zoals nu met het ongedekte fiatgeld. Zo nam in de periode van januari 2002 tot en met juli 2010, het totaalbedrag van alleen al de eurobiljetten, toe van ruim 221 miljard euro tot ruim 820 miljard. Een stijging van meer dan 270 procent. Dat verklaart (mede) de vele prijsstijgingen. De huidige economische crisis is een gevolg van de enorme ongedekte geldgroei.
2. Hoe werkt een gouden standaard?
Goud is de ruileenheid; goederen hebben een prijs in goudgewicht en muntnamen zijn dan de handelsnamen daarvoor. Onder goud kunnen munten, bankbiljetten en digitale rekeningen de praktijk zijn, net als nu. Het goudgewicht kan wettelijk worden vastgelegd en/of bij een onafhankelijk instituut. Op een vrije bankenmarkt zonder centrale bank ("free banking") zullen banken zelf hun geld aan goud koppelen. In dat laatste geval is het marktgeld, dat geen wettelijke gouden standaard vereist. Men kan globaal de volgende geldsystemen onderscheiden:
* Een wettelijke gouden standaard, eventueel met een zilverstandaard samen (bimetallisme).
* Vrij goud, zilver en eventueel andere edelmetalen als geld op een vrije bankenmarkt, zonder overheidsbemoeienis. Dat is het oorspronkelijke geld.
* Een 'papieren standaard', onder overheidsbeheer en met een centrale bank, zonder dekking in edelmetaal. Dit is het huidige geld, fiatgeld geheten.
3. Waarom zou goud geschikt zijn als geld?
Het belangrijkste aan goud is dat het van oudsher gewild is. Mensen zijn van nature wezens die hun bestaan willen optimaliseren. Slechts weinigen kunnen helemaal zelf datgene voortbrengen wat zij wensen en daarom is handel met andere mensen meestal noodzakelijk. Dat wordt vereenvoudigd door een ruilmiddel: geld. Op de vrije markt werden ooit goederen als geld gebruikt. Goud was het meest verhandelbare goed, steunde daarom de mens het beste in zijn strevens en werd zo in de loop der tijd het geld, zonder overheidsdwang. Goud heeft een unieke combinatie van gunstige kenmerken: zeldzaam en vrij moeilijk winbaar, omsmeltbaar en deelbaar zonder waardeverlies, bruikbaar voor industrie en sieraden, roestvrij, esthetisch mooi, duurzaam en eenvoudig op te slaan, te verbergen en te transporteren. Goud is bruikbaar en is de enige echte wereldmunt en maakt de gewenste optimalisering het beste mogelijk. Fiatgeld daarentegen is kwetsbaar, omdat dit uit het niets wordt gemaakt en geen oorsprong heeft als goed. Het is daarom nooit de vrije keuze van individuele mensen, maar komt met dwang tot stand.
Met goud en zilver als geld is het respect voor arbeid terug, door de eerlijke, waardevaste beloning. Werken (het voorzien in behoeften) is dan niet langer een middel om zoveel mogelijk te consumeren en te recreëren, maar wordt weer een doel op zich. Dit verhoogt de arbeidsmotivatie, de kwaliteit van de geproduceerde goederen en diensten, de ondernemerszin en de welvaart aanzienlijk en minimaliseert de verspilling van schaarse middelen aan niet-noodzakelijke (consumptie)goederen.
4. Waarom zou een gouden standaard nuttig zijn?
Goud als geld heeft vele voordelen ten opzichte van ongedekt fiatgeld. Het dwingt overheden en banken tot rationeel beleid, is consistent met het respecteren van eigendomsrechten en is daarom niet ouderwets of achterhaald. De burgers hebben de macht en vrijheid: geld is altijd inwisselbaar in goud. Staatsschulden worden niet meer met de geldpers gefinancierd, anders raakt een land zijn goudbasis kwijt door inwisseling van het ongedekte geld en stort zijn munt in. Voor banken op een vrije bankenmarkt geldt ditzelfde. Goud is een automatisch wapen tegen inflatie: geldontwaarding en marktverstorende conjunctuurgolven door ongedekte kredietverstrekking (de echte inflatie) ontbreken. De handelsbalansen tussen landen zijn meer in evenwicht. Economische calculatie is betrouwbaar met goud, een homogeen goed. Handhaving van de gouden standaard maakt oorlogen onmogelijk, omdat deze worden gefinancierd met ongedekt geld. Er is met goud geen bankenkartel meer met een wettelijk privilege op geldschepping. Goud en een vrije bankenmarkt brengen geld vanuit staatshanden weer terug bij de bevolking.
5. Maar de goudprijs fluctueert toch enorm?
Dat argument draait oorzaak en gevolg om. Het zijn de valuta die fluctueren, niet de edelmetalen, want die zijn constant tegenover andere goederen. Goud als geld heeft geen aparte prijs in geld, alleen in andere goederen. Goud en geld vallen dan immers samen. Historisch gezien is de goudhoeveelheid zelf veel stabieler tegenover andere goederen. Een voorbeeld is olie, dat al zeker 60 jaar in een vrijwel constante verhouding tot goud staat. De huidige sterk gestegen goudprijs is een uiting van de verzwakkende dollar, door een "dollarzeepbel". Na het definitief loslaten van de gouden standaard in 1971 steeg de ongedekte geldschepping enorm, met een zeer hoge, volatiele goudprijs, in geld uitgedrukt, tot gevolg. Ook aandelen en vastgoed fluctueren sindsdien enorm en de winkelprijzen stijgen voortdurend. Onder een gouden standaard is dat vrijwel onmogelijk.
6. Als goud zo goed is, waarom hebben we dan geen gouden standaard?
De burgers hebben nu geen vrije geldkeuze, maar gebruiken verplicht de wettige betaalmiddelen, bestaande uit fiat papier- en muntgeld. Overheden hebben zich het geld grondwettelijk toegeëigend, gouddekking afgeschaft en het geldbeheer uitbesteed aan centrale banken, met in hun kielzog de private banken. In plaats van goud, hanteren zij een "papieren standaard", waarbij geld in grote hoeveelheden wordt bijgemaakt en maken zo enorme winsten. Overheden kunnen, door de connecties die ze met de centrale banken hebben (zoals de verkoop van staatsleningen via hen), alsnog belangengroepen bevoordelen en hun beleid uitvoeren via de geldpers, zonder impopulaire belastingen te hoeven heffen. Burgers en bedrijven zorgen met kredieten en hypotheken overigens ook voor geldschepping. Daarom zijn overheden en de bankensector rabiate tegenstanders van goud. Op een vrije geldmarkt zou ongedekt (papier)geld nimmer levensvatbaar zijn; dat het nu bestaat betekent niet mensen er dan ook voor zouden kiezen.
7. Waarom is de gouden standaard ooit afgeschaft?
De afschaffing van een gouden standaard, of het instellen van pseudo-standaards, is altijd het gevolg van ongedekte geldschepping door (of namens) overheden, centrale banken en private banken. Het is een bewijs van faillissement van een staat, die niet meer aan zijn inwisselplicht kan voldoen en dit probleem wil omzeilen. Ook werd soms met het oog op oorlogsvoering de inwisselbaarheid opgeheven. Zonder gouden standaard kan geldschepping onbelemmerd worden voortgezet. Dit kan voor oorlogsvoering, beleidsdoelen en de bevoordeling van lobbygroepen, zonder belastingen te willen of durven heffen. De bevolking betaalt wel hogere prijzen. Een gouden standaard kan dus niet uit zichzelf "instorten" of "ten onder gaan", maar alleen door menselijke keuze worden stopgezet. Doorgaans gebeurt dat na langdurige schending ervan.
8. Is er maar één soort gouden standaard?
Ja, de gouden standaard met een honderd procent dekking, de goudenmuntstandaard of goudreservestandaard. Deze bestaat uit gouden munten en inwisselbare bankbiljetten (met eventueel pasmunten van een goedkope metaalsoort). Van 1875 tot 1936 bevatte een Nederlands gouden tientje 6,048 gram 'fijn goud'. Er hebben ook pseudo-goudstandaards bestaan, zoals de goudkernstandaard (Nederland in 1918-1936) en de goudwisselstandaard (Nederland in 1945-1971). Bij beide bestond de dekking maar deels uit goud, had de inwisselbaarheid restricties en was die vaak alleen weggelegd voor overheden en centrale banken. De systemen waar deze pseudo-standaards in zaten, zoals het systeem van Bretton Woods in 1944-1971, werden stopgezet omdat overheden toch aan ongedekte geldschepping waren gaan doen en zij de inwisselbaarheid van het geld niet meer konden nakomen.
9. Leidt de gouden standaard tot nog meer excessieve winsten voor banken?
Nee, integendeel. Een stipt nageleefde gouden standaard kent geen winsten op basis van het privilege op geldschepping, maar uit investeringen met bestaand spaargeld. Die komen ook de spaarders ten goede. Goud moedigt sparen en investeren aan, geldschepping juist schulden. Van belang is wel dat men geen fractionele reserves toestaat en er geen overheidsgaranties op bankactiviteiten zijn, anders ontstaat moral hazard. De markttucht op een vrije bankenmarkt ontmoedigt fractioneel bankieren. Banken zijn dan gewoon bedrijven met normale winsten en verplichte naleving van contracten, zoals volledige gouddekking. Goud is ook het enige middel dat het ontstaan van een bonuscultuur voorkomt.
10. Is er met goud een even grote welvaart als nu?
Ja, dat wil zeggen: er zou veel minder verspilling zijn en veel meer echte welvaartsgroei op basis van productieve arbeid, waarmee in de primaire behoeften wordt voorzien: voeding, kleding, woonruimte, veiligheid en gezondheid. In de consumptiemaatschappij die de afgelopen decennia is onstaan door goedkoop geld, worden veel schaarse middelen gebruikt en verknoeid aan niet-primaire behoeften. Bijvoorbeeld een vastgoedbubbel in de private sector, banken en financiële instellingen die door geldschepping en rentes kunstmatig groot en rijk worden, peperdure legers, oorlogen, een bureaucratische publieke sector, veel buitenwijken met grote, dure huizen en snelwegen, maar ook uitbreiding van assortimenten in de winkels, luxeproducten, evenementen en veel managers en adviseurs. Deze gebruiken of vernietigen schaarse economische bronnen (mensen, kapitaalgoederen, grondstoffen), maken belangrijker zaken onmogelijk door de prijsopdrijving en verarmen de rest van de samenleving. Het huidige geldsysteem en de bijbehorende consumptiemaatschappij, hebben voor een kwetsbare schijnwelvaart gezorgd. Op een aantal manieren zijn de meeste mensen armer dan ze lijken:
- Het geld is thans ongedekt door goud en/of zilver, dus er ontbreekt een echte, relatief vaste waarde die men voor de arbeid krijgt;
- Door fractioneel bankieren is er een voortdurende koopkrachtdaling, wat verspillende consumptie aanmoedigt, en bestaat het risico om bij een bankrun alle spaargeld te verliezen;
- De meeste consumptiegoederen en inboedels zijn bijna waardeloos, omdat ze al snel na aankoop en door gebruik afgeschreven raken. En als men al geld krijgt bij de verkoop van gebruikte goederen, is de koopkracht daarvan sinds de aankoop verder gedaald. Ook dalen de huizenprijzen, wat het (virtuele) vermogen verder aantast.
- Bij een bankrun, waar door fractioneel bankieren des te meer risico op bestaat, zijn niet-primaire spullen sowieso ongewild door overaanbod en/of ontbrekende vraag;
- De pensioentegoeden zitten grotendeels in beleggingen als aandelen, (staats)obligaties en vastgoed, waarvan de prijzen sterk fluctueren en niet zelden instorten, zeker in het huidige (piramide)geldsysteem.
De consumptiemaatschappij is dus geen sterkte van onze economie, maar een zwakte.
Het bezit van de natuurlijke geldsoorten goud en zilver kent geen van deze nadelen en risico's; de waarde ervan is op lange termijn altijd relatief vast ten opzichte van alle andere goederen. Goud en zilver zijn gestolde arbeid, de echte welvaart. Onder goud is geld veel schaarser, zijn de rentes hoger en groeit de reële economie meer dan thans onder het goedkope fiatgeld, dat improductieve projecten mogelijk maakt die anders niet of in mindere mate van de grond zouden komen. De mensheid had onder een consequent volgehouden gouden standaard al veel verder ontwikkeld kunnen zijn dan nu. Een betere vraag is dan ook of we met fiatgeld meer welvaart hebben dan bij goud. Zonder fiatgeld kunnen bronnen productief worden aangewend en de reële welvaart vergroten, dat wil zeggen: de primaire behoeften. Kredietverstrekking boven spaargeld leidt slechts tot statistisch hogere economische groei, maar geen reële groei in koopkracht. Geldcreatie geeft alleen herverdeling van welvaart, doordat de eerste ontvangers van het nieuwe geld, koopkracht elders wegnemen. De geldhoeveelheid is voor de welvaart irrelevant en daarom vergroot ongedekt geld maken de welvaart niet. Alleen meer goederenproductie betekent meer welvaart, geld is slechts ruilmiddel. Als geldschepping tot welvaartsgroei leidde, kon men de armoede razendsnel uit de wereld helpen via de geldpers.
11. Geldschepping is toch nodig om in de marktvraag naar geld te voorzien?
Nee. Wie het geldaanbod onder goud onvoldoende vindt, stelt eigenlijk dat de markt faalt en zal de vraag moeten beantwoorden wanneer er dan wel "voldoende" van is en volgens welke maatstaf. Kenmerkend voor elk economisch goed is dat er altijd een tekort van is om in elke actuele behoefte te voorzien. Maar elke geldhoeveelheid is voldoende om als ruilmiddel van alle goederen te functioneren, de eigenlijke geldfunctie. Geldschepping lost een "geldtekort" niet op, omdat de prijzen daardoor stijgen en er dus weer meer geld "nodig" zou zijn. Alleen productievergroting maakt meer welvaart, zoals de Wet van Say leert. Niet de geldhoeveelheid op zich, maar de koopkracht ervan, bepaalt de rijkdom. Onder de gouden standaard krijgt spaargeld een nuttige bestemming. Geldcreatie boven het spaargeld, zoals nu gebeurt, verstoort het marktproces. Kunstmatig lage rentes door centrale banken bevorderen dit. Dit leidt tot een vraagoverschot naar geld en prijsinflatie. Het aanbod aan nieuw geld schept de vraag, eerder dan andersom.
12. Belemmert goud niet de vrijheid om krediet te krijgen?
Ook onder een gouden standaard bestaan kredieten, bij voldoende ter uitlening aangeboden geld en als de lener genoeg rente betaalt. Een zeer belangrijk punt is dat onder goud, de (kost)prijzen door innovaties steeds dalen, waardoor (a) minder krediet nodig is voor dezelfde investeringen en (b) er geld zo overblijft voor nieuwe ondernemingen en producten. Geldgroei is voor kredieten dus onnodig; productiviteitsgroei maakt geld beschikbaar. Op een vrije markt is de rente altijd passend om voldoende spaargeld aan te trekken en als krediet uit te geven. Alleen goederen en diensten met voldoende afnemers, worden onder goud geproduceerd. Daarmee wordt de goederenproductie vergroot, dalen de prijzen, blijft er meer geld over voor andere investeringen en consumptie en stijgt de welvaart. Goud zonder fractionele reserves voorkomt dat anderen in de samenleving gedwongen meebetalen aan andermans geldscheppende kredieten, door hogere prijzen. Geldscheppende hypotheken, kredieten en derivaten in het huidige fiatgeldsysteem, stelen koopkracht en dus welvaart bij anderen en maken van de ontvangers een (valse) economische elite. Men kan zich ook afvragen waarom die voorziening er zou moeten zijn. Geld bijmaken voor investeringen drijft de prijzen op (omdat kredieten vooraf gaan aan de productie), wat weer meer nieuw geld "nodig" maakt. Krediet kan onder goud worden verstrekt als spaarders hun geld tegen rentevergoeding een bepaalde tijd 'uitlenen' aan de bank (via deposito's), zodat er niet meerdere claims op hetzelfde goudgeld ontstaan. Ook kunnen mensen onder goud natuurlijk aandelen en obligaties van een bank of bedrijf kopen en deze zo van kapitaal voorzien.
13. Kunnen mensen nog wel een hypotheek krijgen onder een gouden standaard?
Niet de vraag naar hypotheken moet voorop staan, maar naar woningen. Woningbouw tast niemands eigendom aan; hypotheken door geldschepping wel, want zij zorgen voor prijsstijgingen, niet alleen van huizen. Veel van de huidige geldscheppende hypotheken zouden op een vrije markt zonder overheidsgaranties niet eens bestaan, omdat de risico's op wanbetaling te groot zijn. Dat bewijst de marktverstoring ervan en verklaart de huizenbubbels, die in diverse landen de laatste jaren zijn geknapt, wat een terugkeer van de huizenmarkt naar de normale toestand is. Hypotheken en kredieten zijn daarom geen rechtvaardiging voor het huidige fiatgeld. Discutabel is dus of hypotheken het wonen echt betaalbaarder maken. Onder een gouden standaard kan men minstens evenveel huizen bouwen als nu, vooral als de woningmarkt wordt geflexibiliseerd. Bovenal kan men ook een huis huren en intussen werken en sparen om met eigen vermogen een huis te kopen. Dat stimuleert zuinigheid, maakt echt kapitaal op spaarrekeningen of in beleggingen beschikbaar voor investeringen en zorgt ervoor dat mensen eerst een aantal jaren productief zijn voor zij met de opbrengst daarvan een huis kopen. Met de huidige geldscheppende en ontwrichtende hypotheken is dat allemaal precies tegenovergesteld.
14. Is de gouden standaard vatbaar voor speculanten?
Gouden standaards hebben een vaste koers tegenover elkaar, omdat zij alle een goudgewicht zijn. Wel hebben valuta onder een gouden standaard ook een koers op de internationale goudmarkt, waar deze normaal gesproken weinig van afwijkt. En overheden of banken hebben altijd de plicht tot inwisseling tegen de vastgelegde koers. Hiertegen valt niet te speculeren, mits men de gouden standaard handhaaft en geen ongedekt geld uitgeeft. Speculanten zijn overigens nuttig, omdat zij de marktwerking versoepelen en een signaalfunctie hebben voor de onderliggende economische factoren. Zij zijn eigenlijk de thermometer van een markt.
15. Is er een centrale bank nodig voor een gouden standaard?
Nee, goud behoeft geen centrale bank. Die verleidt overheden en beleidsmakers tot misbruik. De gouden standaard kan men wettelijk vastleggen en de bankenmarkt vrijgeven. Ook kan de standaard worden geprivatiseerd, waarbij banken zelf zorgen voor inwisselbaarheid van geld tegen een vast goudgewicht. Een vrije bankenmarkt leidt automatisch tot het gebruik van edelmetalen als geld, vooral goud, wegens het vertrouwen dat daarin bestaat. De goudhoeveelheid wordt dan door vraag en aanbod bepaald en is altijd een weergave van de wensen van het publiek. Geldschepping tast dan niemands eigendommen meer ongewenst aan. Ongedekt papiergeld is kansloos bij de afwezigheid van wetten op de betalingsmiddelen. Vrij concurrerende banken moeten om hun reputatie denken en contracten naleven, zoals inwisseling van geld in goud. Daarom zullen zij deugdelijk geld uitgeven, temeer er geen 'bank der banken' is die hen uitkoopt als zij fractioneel bankieren en in de problemen komen. Eventueel kunnen overheden de ongedekte geldschepping als fraude bestempelen.
16. Een centrale bank is toch nodig voor prijsstabiliteit, door rente en geldhoeveelheid te regelen?
Prijsstabiliteit als beleidsdoel verdoezelt slechts de gevolgen van geldschepping, die de prijzen beïnvloedt en groepen bevoordeelt die met het nieuwe geld tegen oude prijzen goederen kopen, ten koste van de latere ontvangers. Prijsindexen en de term "prijsniveau" zijn misleidend, omdat prijzen nooit over de gehele linie, in hetzelfde tijdvak en geleidelijk stijgen. Per individu kan geldschepping dus enorm verschillend uitpakken. Ook missen de monetaire "autoriteiten" de benodigde alomvattende informatie voor stabilisering, wat de gestage prijsstijgingen en de bubbels in aandelen en vastgoed (die buiten de indexcijfers worden gehouden) bewijzen. Het manipuleren van prijzen, de koopkracht of de effectieve vraag door centrale banken is een zwaktebod en symptoombestrijding van het eigen beleid. Op een vrije bankenmarkt is dat allemaal overbodig: klanten stappen gewoon naar een andere bank als de geldkwaliteit hen niet meer bevalt. Onder goud is prijsstabiliteit bovendien de norm, al is absolute stabiliteit onhaalbaar omdat de voorkeuren van consumenten, de goudhoeveelheid en de goederenhoeveelheden steeds wijzigen. Deze onzekerheid is mede de bestaansreden van geld.
17. Overheden kunnen de gouden standaard toch zomaar schenden of opheffen?
Dat kunnen overheden met elke (grond)wetsbepaling, maar dat maakt wetten niet overbodig. Het argument pleit niet tegen een gouden standaard, maar alleen tegen een centrale bank en overheidsbemoeienis met geld. Dus voor vrij bankieren. Bij schending is duidelijk wie er wanneer bedrog pleegt. En van fiatgeld weten we zeker dat beleidsmakers eigendommen aantasten. Een echte gouden standaard bestaat sowieso niet uit een overheidsbelofte, maar is onafhankelijk gedefinieerd, net als de meter en de kilo, of wordt contractueel vastgelegd tussen een private bank en zijn klanten. De overheid kan zich beperken tot wetgeving die schending ervan (fraude) verbiedt. De tucht van de vrije markt zorgt voor betrouwbare banken en hun geld.
18. Met goud zijn we toch afhankelijk van Rusland, China of Zuid-Afrika?
De goudhoeveelheid en de groei daarvan, zijn voor de geldfunctie irrelevant, net zoals de geldhoeveelheid voor de welvaart in het algemeen niet van belang is. Nieuwe goudvondsten zijn maar een fractie van de al gevonden en bewaard gebleven hoeveelheid. Ook zijn goudvondsten echte welvaart; nieuw fiatgeld is dat niet. Echt groot is de schade daarom niet als landen geen goud meer willen leveren. En zij zouden dan helemaal moeten stoppen met goudwinning, want door levering aan andere landen kan het alsnog bij vijandige landen terecht komen. Hiermee zouden de goudproducenten zichzelf benadelen. Denkbaar is daarom zelfs dat de economische invloed op goudproducerende landen groter wordt, dan de invloed van hen.
19. Leidt een gouden standaard niet tot oorlogen om goud, zoals om olie?
Goud is een heel ander product dan olie. De goudhoeveelheid is irrelevant voor de geldfunctie, terwijl meer olie ook meer productie en transport mogelijk maakt. En meer goudwinning betekent dat de waarde kan dalen: goud wordt niet opgebruikt, zoals olie, maar blijft in toepassingen bewaard en is herbruikbaar. Goud is verder een zeer schaars en onzeker goed, terwijl olie bewezen ruime voorraden kent. Een gouden standaard moedigt oorlogen daarom niet aan. Een strikt gehanteerde gouden standaard ontmoedigt zelfs oorlogen, omdat ze niet meer met de geldpers worden gefinancierd. De vroegere plunderingen van goud in Zuid-Amerika namens Europese vorsten zijn verder geen argument tegen legitieme goudvondsten. En fiatgeld maakt niet alleen oorlogen mogelijk, maar lokt ook weer nieuwe uit, onder meer door de economische chaos die het veroorzaakt.
20. Kan de overheid nog wel belasting heffen onder de gouden standaard?
Ja. Een groot voordeel bij goud is dat overheden en centrale banken niet meer onderling tot aankoop van staatsobligaties kunnen beslissen, waarmee de geldhoeveelheid wordt vergroot en pijnlijke directe belastingen worden omzeild. Zowel belastingen als staatsleningen moeten bij goud komen uit bestaand geld. De scheiding van geld en staat verhoogt de transparantie in de politiek enorm.
21. Leidt een gouden standaard tot schadelijke deflatie?
Prijsdalingen hebben ten onrechte een slechte naam gekregen, doordat zij voor velen synoniem zijn met crises. Maar dalende prijzen door welvaartsvergrotende innovaties, die onder een gouden standaard de regel zullen zijn, hebben daar niets mee van doen. Crises ontstaan door een inzakkende schuldenberg van fractioneel fiatgeld en daar is onder goud geen sprake van. Goud en andere goederen zijn onder de gouden standaard met volledige dekking steeds in balans met elkaar. Hoogconjunctuur vergroot de goederenhoeveelheid en geeft prijsdeflatie tegenover goud (men kan er meer voor kopen), wat meer welvaart betekent. Dat stimuleert dan weer goudwinning, geeft vervolgens prijsinflatie door het grotere goudaanbod, maar dat bevordert ook het gebruik van goud in andere goederen dan geld. Daarvan dalen dan de prijzen. Goud kent een zeer elastische vraag. De cyclische werking van het systeem is dus omgedraaid en minder hevig en onvoorspelbaar dan nu. In de periode 1873-1896 was er in Amerika en Duitsland deflatie en tegelijk economische groei. Dalende prijzen ontmoedigen ondernemers niet, omdat de winstmarges voldoende kunnen blijven.
22. De gouden standaard veroorzaakte of verergerde toch de Grote Depressie in de jaren dertig?
Nee. De kiem van de Grote Depressie lag in het feit dat men in Groot-Brittannië na de Eerste Wereldoorlog niet terugkeerde naar de klassieke goudstandaard, maar de goudwisselstandaard instelde. Dat gebeurde bovendien tegen de vooroorlogse, door geldschepping achterhaalde pondkoers van 4,86 dollar en met restricties op de inwisselbaarheid in goud. Dit leidde door de onderlinge koppeling via de goudwisselstandaard in Europese landen en Amerika in de verdere jaren twintig tot grote ongedekte geldschepping. Vanaf najaar 1929 stortte dit kaartenhuis ineen, wat feitelijk een terugkeer van de markt naar het basisgeld (goud) inhield. President Roosevelt had in 1933 niet de gouden standaard moeten loslaten, maar had beter de Fed kunnen opheffen. Het loslaten van goud in de jaren dertig in vele landen verstoorde juist het oplossen van de crisis, doordat landen zo onderling devalueerden en een vorm van protectionisme bedreven. (Thans wordt dit herhaald met de dreigende valuta-oorlog, door geldschepping.) De Tweede Wereldoorlog was een uitloper van deze instorting. Een bijna identieke goudwisselstandaard werd vanaf 1944 herhaald in het door de dollar gedomineerde systeem van Bretton Woods, dat in de periode 1968-1971 tot een eind kwam en leidde tot het geheel loslaten van goud in 1971; de "Nixon shock". Vervolgens brak een periode van grote monetaire en economische onrust aan in de jaren zeventig en tachtig. Er doen zich dus al vele decennia heftige conjunctuurgolven voor, mogelijk gemaakt door ongedekte geldschepping. De huidige crisis is er ook weer een voorbeeld van. Met een deugdelijke en stipt gehandhaafde gouden standaard was dit alles voorkomen.
23. De gouden standaard belemmert toch volledige werkgelegenheid?
Nee. Werkloosheid komt niet door een "geldtekort" of "vraagtekort", maar door lonen boven het marktniveau, een starre arbeidsmarkt en wetgeving die werken ontmoedigt. Dus verstoring van het prijsmechanisme, waarbij loon de prijs voor arbeid is. Geldschepping lost dit niet op en tast daarbij de reële lonen aan. Op een vrije arbeidsmarkt neigen de lonen naar overeenstemming met de arbeidsproductiviteit en is er optimale werkgelegenheid. Dit vereist geen geldschepping en een gouden standaard belemmert dit proces dus niet. Het prijsmechanisme zelf volstaat om vraag en aanbod van schaarse middelen met elkaar in overeenstemming te brengen. En na vele decennia van enorme geldschepping zitten velen zonder werk in het sociale stelsel; wellicht bevordert geldschepping dit zelfs.
24. Veroorzaken nieuwe goudvondsten niet alsnog een conjunctuurcyclus?
Nee. Goudvondsten verstoren niet het marktproces, zoals ongedekte kredietschepping doet, maar zijn er onderdeel van. Zij vormen eerder fluctuaties dan cycli, zijn enigszins voorspelbaar en altijd beperkt tot hoogstens de gevonden goudhoeveelheid. Ongedekt fiatgeld wordt onbeperkt bijgemaakt. Het gevonden goud kan ook worden verwerkt tot sieraden, decoratie, instrumenten, apparaten en dergelijke, die dan goedkoper kunnen worden. Goudzoekers worden gedreven door een voldoende hoge goudprijs, zich uitend in voorafgaande prijsdalingen van andere goederen. Zo is er altijd een evenwicht tussen goud en andere goederen.
25. Waren er ook economische crises in tijden van goud?
Ja, als overheden en bankiers de goudstandaard de facto loslieten. Op papier bestond de convertibiliteit nog wel, maar in praktijk leenden de banken hun reserves in veelvoud uit, na bemoeienis van overheden en verlaging van de reserve-vereisten door centrale banken. Dit leidde en leidt nog steeds tot conjunctuurcycli met crises, zoals die in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw en sinds 2007. Een stipte handhaving van de gouden standaard kan dat alles voorkomen. De zwakte zit dus niet in het goud, maar in de mens. Veelzeggend is dat er bij zulke crises steevast een vlucht in goud ontstaat, ook nu weer actueel. Het vertrouwen in goud is dus constant, in het fractionele fiatgeld niet.
26. Kan een bank ook nieuw goud uit het publiek betrekken?
Ja, naast goudwinning kunnen banken ook aangeboden goud omsmelten, aan de eigen voorraad toe voegen en hiervoor vrij besteedbare biljetten uitgeven. Dit zal op een vrije bankenmarkt een gebruikelijke manier zijn.
27. Wie is de eigenaar van het goud dat in de bankkluis ligt?
Dat goud staat niet persoonlijk op naam, maar iedereen kan bij een bank voor zijn geld wel het goudgewicht krijgen. Op een vrije bankenmarkt kunnen ook de niet-rekeninghouders geld wisselen bij de uitgevende bank, omdat munten, biljetten en goudbezit bij zo'n bank aan elkaar gekoppeld zijn. Er hoeft dus niet met goud tussen banken te worden gesleept, evenmin als het traceren van biljetten.
28. Goud zoeken en dan in een bankkluis leggen als dekking voor geld, is toch verspilling?
Goudzoekers reageren op een behoefte aan goud en verspillen dus niets. Het is de vrije keuze van banken en hun klanten om goud als gelddekking in een kluis te leggen; voor hen op dat moment kennelijk de beste optie. Een grote toevloed aan goud doet de prijs tegenover andere goederen dalen, waardoor niet-monetair gebruik aantrekkelijker wordt en goud (en dus geld) deels anders wordt aangewend. Op een vrije geldmarkt is goud altijd daar waar de eigenaren het willen en is van verspilling geen sprake.
29. Bij hyperinflatie heb je toch niets aan goud?
Meestal luidt het bezwaar dat je "goud niet kunt eten". Maar fiat papiergeld natuurlijk ook niet en daarvoor is geld ook niet bedoeld. Bij hyperinflatie storten alle markten in elkaar omdat mensen de opbrengsten nodig hebben voor voedsel en andere primaire behoeften. Onder strikt gehandhaafd goud als geld is hyperinflatie onmogelijk, dus dat pleit er andermaal voor.
30. Is de wereldeconomie niet te complex geworden voor een gouden standaard?
Hier worden hoogstens oorzaak en gevolg omgedraaid. Fiatgeld en fractionele reserves maken de economie ingewikkeld en nog grilliger dan normaal. In de kern draait alles nog steeds om productie en handel, ongeacht hoe ingewikkeld producten zelf zijn.
31. Goud als geld is toch duur en verspillend, vergeleken met het bijna gratis papiergeld?
Deze vergelijking is onvolledig en dus misleidend. Elk gebruik van een goed heeft zijn kosten, bestaande uit de misgelopen voordelen van een andere aanwending ervan. Kosten zijn dus geen tekortkoming van een handeling, evenmin bij goud als geld. Ook zijn deze kosten niet op te lossen door geld bij te maken. Men moet de keuzes tegen elkaar afwegen. De echte kosten van ongedekt geld bestaan namelijk uit de dalende koopkracht ervan, de zeepbellen en crises die ontstaan, de bevoordeling van vroege ontvangers ten nadele van anderen, de misallocaties van bronnen, de kosten van centrale banken, de bemoeilijkte economische calculaties en het anticiperen van bedrijven op toekomstige handelingen van de monetaire autoriteiten. De kosten van goudwinning, opslag en bewaking zijn klein, vergeleken met de voordelen van goud én de nadelen van ongedekt fiatgeld. En ze bestaan nu ook, omdat goud voor andere doelen wordt gewonnen en gebruikt.
32. Is de goudvooraad in de wereld niet te klein voor een terugkeer naar de gouden standaard?
De hoeveelheid goud is irrelevant voor zijn functie als ruilmiddel, zolang men de munt maar correct definieert in goud. De vraag rijst welke hoeveelheid goud er dan wel zou moeten zijn voor geld. De prijzen passen zich aan aan de goudhoeveelheid. Meer geld verkleint alleen de koopkracht per geldeenheid. Ook kan men de goudprijs aanpassen aan de geldhoeveelheid.
33. Is de goudhoeveelheid per geldeenheid dan niet te klein?
Tijdens de periode van de klassieke goudstandaard in de VS (1834-1933), was goud gedefinieerd als $20,67 per troy ounce (31,10 gram) oftewel ruim 1,5 gram goud per dollar. Deze kleine hoeveelheid werd kennelijk niet als een probleem ervaren. Elke hoeveelheid goud is werkbaar; desnoods rekent men in nanogrammen. Goud hoeft ook niet fysiek van eigenaar te wisselen; er kan met biljetten en electronische bankrekeningen worden gewerkt.
34. Met een gouden standaard verdwijnt toch het concurrentievoordeel door devaluatie?
Devaluatie is symptoombestrijding. Als een land of producten daaruit op de wereldmarkt uit de gratie raken, is dat een teken van onvoldoende concurrentiekracht, door te hoge lonen, te weinig arbeidsproductiviteit of andere structurele zwaktes. De muntwaarde laten dalen houdt dat slechts in stand. Het kunstmatig goedkoop geld lenen doet datzelfde, zoals in de zwakke eurolanden is gebeurd. Onder de gouden standaard en een vrije (arbeids)markt concurreert het bedrijfsleven meer op een sterke, structurele concurrentiekracht dan louter op prijs. Duitsland had zijn sterke en populaire D-mark te danken aan zijn goede exportpositie van kwaliteitsproducten. Goud bevordert sparen, investeren en innovaties, dus welvaart op lange termijn. De handelsstromen zijn dan een weergave van het menselijk kunnen, niet van geldmanipulatie met alle schadelijke gevolgen van dien.
35. Is de financiële wereld niet te groot en te complex geworden voor een gouden standaard?
De dominantie van de financiële markten is eerder een argument vóór de gouden standaard. Sparen is vrijwel onrendabel door de lage rentes en de prijsinflatie. Mensen en institutionele beleggers speculeren daarom in aandelen, obligaties, vastgoed en ondoorzichtige financiële producten. Het gebrek aan kennis, de onvoorspelbaarheid en de enorme belangen, leiden tot misinvesteringen en continu overspannen beurzen en vastgoedmarkten, gevoed door de voortdurende geldgroei. Onder goud, sparen mensen weer tegen marktrente op een rekening, investeert de bank het in innovatieve ondernemingen en kunnen mensen weer aandelen en obligaties kopen met het dan bestaande geld. Die hebben marktkennis, kennen de stand der techniek en verbeteren deze. Niet alleen spaarders en consumenten profiteren daarvan, maar feitelijk iedereen. De motivatie en waardering voor exacte wetenschap groeit; een "Innovatieplatform" is overbodig. De welvaart en de vermogens stijgen duurzaam en het massale speculeren verdwijnt.
36. Is een terugkeer naar de gouden standaard wel realistisch?
Het huidige fiatgeld opdoeken en een gouden standaard opnieuw instellen is een kwestie van willen, niet van kunnen. Als de politici en de bankensector hun privileges willen opgeven, lukt het altijd. Probleem is alleen dat zij in hun eigen vlees moeten snijden. Aanhangers van goud, die overtuigd zijn van de deugden ervan, kunnen in elk geval hierover blijven publiceren en er onderzoek naar doen. De vraag is bovendien of doorgaan met het huidige geld wel realistisch is, gelet op de vele bijwerkingen en de steeds terugkerende crises.
37. Is de gouden standaard niet veel te ingewikkeld voor het grote publiek?
Alles wat een gouden standaard behelst, is dat een muntnaam een bepaald goudgewicht vertegenwoordigt. In de negentiende eeuw was er in de Verenigde Staten een uitvoerig openbaar debat over onderwerpen als goud, zilver, centrale banken of free banking en geldschepping. Vandaag de dag maken de hoeveelheid informatie, opleiding en media als het internet, een goede informering meer dan ooit mogelijk. Wie wil, kan zoveel begrijpen van goud en geld als hij maar wenst. En juist het huidige financiële bestel gaat velen de pet te boven. Het is chaotisch, gecompliceerd en voortdurend in crisis, omdat economische wetmatigheden onverkort hun werk doen, zonder dat beleidsmakers en publiek dat zien of begrijpen.
38. Is een gouden standaard niet achterhaald door het electronische geld?
Ook elektronische middelen zijn bruikbaar in combinatie met een gouden standaard; dit kan naast gouden munten of bankbiljetten. Een voorbeeld is de website goldmoney.com, waar men fysiek goud, zilver en platina kan kopen op rekening en er andere digitale rekeninghouders mee kan betalen via de gepatenteerde goldgrams. Dit is een eigen geldeenheid. Ook zijn er betalingen buiten GoldMoney mee te doen. Dit is een vorm van "digital gold currency" (digitale goud valuta).
39. Als de wereld onder goud in regio's uiteenvalt, worden eenwording en globalisering toch eigenlijk teruggedraaid?
Als onder goud en een vrije bankenmarkt de wereld versnippert, omdat men meer handel in de eigen regio bedrijft dan internationaal, doordat werk niet meer zo snel wordt weggeconcurreerd en uitbesteed, dan is dat de vrije keuze van mensen. Zo’n samenleving voorziet kennelijk voldoende in de behoeften en is even natuurlijk als goudgeld zelf is, omdat zij beide zonder dwang tot stand komen.
40. Hoe kunnen we terugkeren naar een gouden standaard?
Voor de ommezwaai naar een vrije bankenmarkt en een bijbehorende (vrije) gouden standaard zijn in elk geval de volgende stappen noodzakelijk.
- Stoppen met verdere geldschepping.
- De verkoop van de goudvoorraden in handen van overheden en centrale banken; de opbrengsten kunnen naar de burgers terugvloeien.
- Het volledig vrijgeven van de geld- en bankensector, zodat vrije ondernemers geld op basis van goud kunnen en zullen uitgeven. Goud kan dan onbeperkt worden gebruikt als geld, in eerste instantie naast het fiatgeld. Zo kan goud diens plaats weer gaan innemen.
- Daarna opheffing van de centrale banken.
Het voordeel van een zelfgekozen transformatie naar de gouden standaard, hoe ingrijpend ook, is dat niet hoeft te worden gewacht op een ineenstorting van het huidige systeem van fiatgeld, zoals door hyperinflatie.
Zie ook: Vrij Bankieren in 25 vragen en antwoorden
Met dank aan Marcel Meijer, prof. Frank van Dun, het Rothbard Instituut en Guido Hülsmann voor hun commentaren
Terug naar de hoofdpagina
© RatioVincit.nl, graag citeren met bronvermelding